In Common People van Pulp vraagt een kunststudente uit een rijke Griekse familie – volgens hardnekkige geruchten de huidige vrouw van de linkse econoom Yanis Varoufakis – aan de working class zanger hoe ‘gewone mensen’ nu echt leven. De Britpop-klassieker is een bijtende kritiek op wat we vandaag ‘armoedetoerisme’ noemen. ‘Pretend you got no money,’ begint Pulp-zanger Jarvis Cocker droogjes, waarna hij een bevlogen tirade afsteekt over wat het betekent om een armetierig leven te lijden. Maar de jongedame lijkt het allemaal erg amusant te vinden, en Cocker wanhoopt dat ze het nooit zal snappen:
But still you’ll never get it right,
’Cause when you’re laid in bed at night,
Watching roaches [kakkerlakken] climb the wall,
If you called your dad he could stop it all.
Kan je armoede ooit echt begrijpen zonder het zelf te hebben ervaren? Laten we niet te hard zijn voor de jonge studente. Zelfs een arbeidersjongen als Jarvis Cocker uit de jaren negentig kan zich nauwelijks voorstellen wat ‘extreme armoede’ inhoudt (volgens de Wereldbank), de ellendige toestand waarin bijna de hele mensheid zich vóór 1800 bevond.
Vooruitgang heeft de neiging om zijn eigen sporen uit te wissen en slachtoffer te worden van zijn eigen succes. Vaccins werken zo fenomenaal goed dat we vergeten hoe verschrikkelijk de ziekten waren die ze (bijna) uitroeiden. Voedsel is zo overvloedig en goedkoop geworden dat ‘hongersnood’ voor ons letterlijk onvoorstelbaar is. We vinden vrede en welvaart zo normaal dat we ons afvragen waarom er elders nog oorlog en armoede is – terwijl dat juist de norm was gedurende het grootste deel van de geschiedenis.
Deze onwetendheid biedt een vruchtbare bodem voor allerlei romantische illusies. Dan zwijmelen welgestelde westerlingen bij het eenvoudige leven van middeleeuwse boeren (geen smartphones! biologische groenten uit eigen tuin!) of het nomadische leven van jager-verzamelaars (geen materiële bezittingen! leven in harmonie met de natuur!). Mensen die de lof zingen van pre-industriële landbouw – zonder kunstmest, tractoren of pesticiden – zijn doorgaans degenen die er nooit van moesten leven. Zo lijken we allemaal een beetje op de kleine visjes uit het verhaal van David Foster Wallace die zich afvragen: ‘Water? Wat is dat? Nog nooit van gehoord.’ De oneindig complexe machine van de industriële moderniteit zoemt geruisloos en onopgemerkt op de achtergrond – totdat er iets misgaat en je de loodgieter moet bellen.
Een goede definitie van ‘infrastructuur’, zoals Deb Chachra in How Infrastructure Works opmerkt, is ‘alles waar je niet aan hoeft te denken’. De moderne wereld zou een magisch paradijs lijken voor onze voorouders. Met een vingerknip besturen we gigantische turbines tientallen kilometers verderop, die een ogenblikkelijke stroom elektronen rechtstreeks naar onze woonkamers sturen. Met een handomdraai produceren we op elk moment schoon en chemisch gezuiverd water, precies op de gewenste temperatuur. En met een eenvoudige druk op de knop (of een automatische sensor) verdwijnen onze uitwerpselen uit het zicht, afgevoerd via ingewikkelde rioolsystemen en zuiveringsinstallaties, zodat we er nooit meer aan hoeven te denken.

Ik denk dat zelfs de meest verstokte vooruitgangsdenker haar nog onderschat, omdat de verschrikkingen waaraan we zijn ontsnapt bijna onbegrijpelijk zijn. Je kunt eindeloos naar de fraaie grafieken van Our World in Data starenover dalende armoede en ziekte, maar het blijft abstracte kennis die nooit echt doordringt. De website Human Progress van CATO heeft een serie Grim Old Days, een soort historisch horrorhuis waarin ik elke keer een nieuwe manier ontdek waarop het verleden vreselijk was. Zo las ik in een artikel getiteld ‘De slechtste manieren om alles te genezen’ over de vroegmoderne rage voor vermalen lijken, een stoombad met verdampt kwik en het hergebruik van ‘eeuwige pillen’ die telkens uit latrines werden gehaald en als familie-erfstukken doorgegeven. Of kijk of je maag bestand is tegen het verhaal over middeleeuwse hongersnoden waarin de hongerigen de magen van de doden of stervenden openscheuren om ‘de ingewanden eruit te trekken en hun eigen buiken te vullen’.

Oké, maar hoe kunnen we onze onvermijdelijke onwetendheid van de vooruitgang bestrijden? Je kunt niet zomaar iemands tand zonder verdoving trekken om een punt te maken. De oorlog in Oekraïne heeft Europeanen eraan herinnerd hoe bevoorrecht we zijn om in vrede te leven, en hoe enorm succesvol het Europese project is geweest. Maar we kunnen niet af en toe een oorlog starten om mensen te herinneren aan de waarde van vrede.

Ik ben katholiek opgevoed, en hoewel ik als overtuigde atheïst niet hoog oploop met religie, heb ik één morele christelijke waarde behouden: dankbaarheid. Toen ik jong was, hielden we voor elke maaltijd – vooral als mijn vrome grootmoeder op bezoek was – elkaars hand vast en zongen we een liedje om God te danken voor het eten op tafel. Natuurlijk vond ik het wat vreemd dat we een onzichtbare geest bedankten die geen klap had uitgestoken, in plaats van pakweg mijn moeder, die alles in de keuken had bereid – maar de dankbaarheid zelf ben ik nooit vergeten. Dat mijn vrome grootmoeder daar een sterker ontwikkeld gevoel voor had, kwam ook doordat ze de rantsoenen van de Tweede Wereldoorlog nog had meegemaakt.
De vorig jaar overleden filosoof Daniel Dennett schreef ooit een prachtig stuk getiteld ‘Thank Goodness’ nadat hij in 2006 hersteld was van een dubbele bypassoperatie. De fervente atheïst drukte zijn diepe waardering uit voor moderne geneeskunde, voor bekwame artsen en verpleegkundigen, voor ziektekostenverzekeringen en zorgprogramma’s. Als je ongelovig bent en geen behoefte voelt om een bovennatuurlijk wezen te bedanken voor de copieuze feestmaaltijden rond deze tijd, waarom geen seculier gebed richten aan de menselijke vindingrijkheid – aan de uitvinders van kunstmest, dieselmotoren, stoommachines en containerschepen? Bedank de onzichtbare hand van de markt in plaats van een onzichtbare schepper.
Neem een ordinaire ananas in de supermarkt. Nog niet zo lang geleden waren ananassen een exotische sensatie in Europa, zo onbetaalbaar dat ze als luxeartikelen werden tentoongesteld in plaats van gegeten, of per uur verhuurd. Er was zelfs een ananasrage onder architecten, die de vrucht gebruiken om alles mee te versieren, van sporttrofeeën tot kathedralen. Denk er eens aan als je een ananas gedachteloos naar binnen schrokt in een fruitsalade, of (godbetert) op een pizza legt.

Of denk eens aan Boris Jeltsin, die in 1989 tijdens een staatsbezoek in de VS een willekeurige supermarkt in Texas binnenwandelde. De enorme overvloed, variëteit en betaalbaarheid van al dat voedsel schokten hem enorm – niets vergeleken bij de schaarste en eindeloze wachtrijen in Moskou. Jeltsin schreef erover in zijn biografie: ‘Toen ik die schappen vol zag staan met honderden, duizenden blikken, dozen en allerlei soorten goederen, werd ik voor het eerst ronduit ziek van wanhoop voor het Sovjetvolk.’ Die schok zal na de val van de Muur ook voor Jeltsin zijn weggeëbd, want alles went op den duur, ook vooruitgang. Maar met een beetje verbeelding kan je tijdens de eindejaarsinkopen in de supermarkt door de ogen van Boris Jeltsin kijken naar de ongelofelijke hoorn des overvloeds die je daar aantreft, en dankbaar zijn voor de moderne wereld.

Bovenstaande is de ingekorte vertaling van mijn laatste essay voor Quillette: “The Ingratitude of the Well-Fed”, dat je gratis kan lezen op mijn Substack.
Een nog kortere versie verscheen in De Morgen gisteren.
Dit is mijn laatste post voor 2025. Morgen loopt ook niet alleen het kalenderjaar af, maar ook mijn contract met UGent. Het goede nieuws is dat ik me meer kan toeleggen op schrijfsels en lezingen voor een breder publiek! Als je mijn werk wilt steunen, kan je een abonnement kopen op Substack of me op een virtuele koffie trakteren (zie hieronder). ☕️
Bedankt voor jullie steun, en uiteraard wens ik jullie allemaal een fantastisch en fabelachtig nieuwjaar!