(Vorige week publiceerde ik in The Jewish Chronicle een stuk over de spiraal van stilzwijgen in de academische wereld rond Gaza en Israël. Een Nederlandse vertaling verscheen daarna in EW Magazine en in Knack. De Engelse versie kan je gratis lezen op mijn Substack (vergeet je niet te abonneren daar!), de Nederlandse lees je hieronder]
Sinds 7 oktober 2023 bekleed ik een wat zonderlinge positie in het maatschappelijk debat, zowel aan Nederlandse als aan Vlaamse kant.
Na de pogrom van Hamas en de daaropvolgende oorlog in Gaza, groeide in journalistieke en academische kringen vrij snel een consensus dat Israëls tegenreactie op geen enkele manier te rechtvaardigen valt. Vrijwel wekelijks verschenen open brieven van academici tegen Israël, die in korte tijd honderden tot duizenden handtekeningen verzamelden. Tientallen universiteiten schortten samenwerkingen met Israëlische partners op wegens vermeende medeplichtigheid, via hun banden met het leger.
Binnen de academische wereld lijkt inmiddels zelfs overeenstemming te bestaan over de zwaarste beschuldiging denkbaar: dat Israël in Gaza een volkerenmoord of genocide pleegt. In een veelgelezen artikel kon NRC geen enkele genocide-expert vinden die dat betwistte. En in augustus 2025 stemde de International Association of Genocide Scholars (IAGS) een resolutie: jazeker, in Gaza vindt een “genocide” plaats. Officiëler kan het nauwelijks.

Die beschuldiging van genocide heb ik altijd absurd gevonden, zoals ik uitgebreid betoogde in het magazine Quillette. Er valt Netanyahu en zijn extreemrechtse trawanten van alles te verwijten, maar er is geen enkele aanwijzing dat het Israëlische leger de bedoeling heeft om de Gazaanse bevolking uit te roeien, en overvloedig bewijs van het tegendeel. De gretigheid van westerse intellectuelen om Israël van deze ‘misdaad der misdaden’ te beschuldigen blijft me verbazen, net zoals hun blindheid voor de cynische oorlogstactieken van Hamas en de extreem lastige omstandigheden waarin Israël zijn (legitieme) oorlogsdoel tracht te bereiken.
In mijn jongste boek Het verraad aan de verlichting leg ik die progressieve verblinding uit als een uitloper van een postkoloniale ideologie, waarbij het Westen altijd de boosdoener en onderdrukker is, en de antiwesterse krachten altijd de nobele slachtoffers.

De kleren van de keizer
In de academische wereld raakte ik gaandeweg volledig geïsoleerd met mijn standpunt. De rector van mijn universiteit UGent verklaarde in een interview dat een academicus die de genocide in Gaza in vraag stelt een “rode lijn” overschrijdt en niet langer door de academische vrijheid wordt beschermd. Vijf professoren probeerden bij de vorige rector sancties tegen mij te laten treffen wegens mijn afwijkende standpunten.
Toch krijg ik al twee jaar geregeld mails van academische collega’s die ongeveer hier op neerkomen: “Ik ben het roerend met u eens en ben blij dat u deze strijd voert, maar hou het alsjeblieft stil, want ik wil geen problemen.” De sociale druk om Israël te veroordelen, bij voorkeur in de scherpst mogelijke bewoordingen, is zo groot dat dissidenten zich niet langer durven uitspreken.
Dat leidt tot een fenomeen dat psychologen ‘pluralistische onwetendheid’ noemen: iedereen denkt ten onrechte de enige te zijn met een afwijkende mening en zwijgt daarom, waardoor die illusie zichzelf in stand houdt. Het klassieke voorbeeld is de fabel van de kleren van de keizer: toeschouwers houden de schijn op dat de keizer prachtig gekleed is, omdat iedereen denkt als enige te zien dat hij poedelnaakt is—tot een kind zonder sociale schroom het hardop zegt en iedereen in lachen uitbarst.
In een poging die ‘betovering’ te doorbreken, besloot ik anonieme getuigenissen te verzamelen van academici met afwijkende opvattingen over Israël en Gaza. Daarvoor deed ik een oproep op X, die een dertigtal getuigenissen opleverde. Wat in mijn mailbox belandde, is ontluisterend—zowel de standpunten als de redenen waarom academici ze niet publiek durven uiten.

Zwijgen uit zelfbehoud
Een hoofddocent aan een Nederlandse universiteit schrijft me: “Ik ben bang om mijn gedachten vrijuit te delen met mijn collega’s en voel me beperkt in mijn vrijheid om hierover openlijk te spreken.” Een professor filosofie stelt dat een academisch debat over de oorlog in Gaza “onmogelijk” is gemaakt: “Kritische stemmen tracht men de mond snoeren met uitsluiting, ontslag en soms zelfs met geweld. In dergelijke omstandigheden voel ik me niet geroepen om mijn kritische bedenkingen openlijk te uiten.”
Een bekende Vlaamse professor uit de Letteren en Wijsbegeerte klaagt dat er een “pensée unique” heerst, maar durft zelf niet voor zijn standpunt uit te komen. Een collega aan mijn eigen faculteit noemt de beschuldiging van genocide “misselijkmakend” en een vorm van “cynische manipulatie”, maar is er als de dood voor om uit te komen voor haar standpunt. De betrokkene probeert het onderwerp zo veel mogelijk te vermijden in gesprekken met collega’s en studenten, en geeft toe dat dat “zelfcensuur” is, om “zichzelf te beschermen”.
Een getuigenis van een collega aan een andere faculteit verklaart waarom: nadat hij een petitie tekende tegen de anti-Israël boycot, werd hij “op onze dienst wekenlang niet meer bekeken of aangesproken door de collega’s.” Een andere professor “kreeg de waarschuwing om op te passen met wat ik zeg bij bepaalde collega’s.” Zich uitspreken voor Israël in academische kringen staat vandaag gelijk aan “academische suïcide.” Een Vlaamse docent beaamt dat er “een verstikkende sfeer van politieke correctheid hangt aan onze faculteit — één afwijkende mening kan je carrière ruïneren.” Een Leuvense professor schampert dat “het wel lijkt alsof de Leuvense universiteit haar best doet om op die van 600 jaar geleden te lijken” en weet niet meer of hij in de academische wereld wil (of mag) blijven, “iets waar ik twee jaar geleden nooit aan zou hebben getwijfeld.”
Een Nederlandse hoogleraar die zich wel geregeld openlijk uitspreekt over Israël, schrijft dat niet iedereen haar privilege van een vaste benoeming geniet: “Ik ken veel meer jonge wetenschappers met afwijkende meningen, maar de meesten van hen durven die niet te uiten. Ze maken zich terecht zorgen over hun carrière. Als ze geen vaste baan hebben, bevinden ze zich in een bijzonder precaire positie. De sociale en professionele isolatie is zeer reëel”. Zelf ontvangt ze sinds haar publieke uitspraken niet langer uitnodigingen voor boekhoofdstukken, workshops, en conferenties.
Een getuigenis van een andere docent laat zien hoe subtiel de professionele en sociale repercussies kunnen zijn, zelfs voor vastbenoemden: “Ik ben gestopt met reposts en reacties over Israël op X, nadat ik merkte dat mijn universiteit plots geen enkele prestatie van mij nog deelde. Waar collega’s retweets of links naar hun projecten kregen, bleef het bij mij opvallend stil rond prijzen of publicaties, terwijl dat vroeger wel gebeurde.” Ook sociaal werd de druk voelbaar. Collega’s ontvolgden hem of reageerden niet langer op berichten. Uiteindelijk gaf deze academicus het op om familiale redenen: “De doorslag kwam toen mijn vrouw me vroeg het gevecht aan anderen over te laten. We kunnen het ons eenvoudigweg niet veroorloven onze baan te verliezen.” Meerdere collega’s worstelen met schuldgevoelens omdat ze zich niet durven uitspreken: “Ik voel me soms laf”, zelfs een “sell-out”.
Experten en bestuurders
Tussen de getuigenissen bevinden zich ook mensen met de nodige expertise, die je zelden in de media zal horen. Een professor militair recht stelt dat er wat de genocide-vraag betreft “uiterste voorzichtigheid geboden” en waarschuwt voor “overhaaste conclusies.” Sommige actoren “assimileren het voeren van vijandelijkheden automatisch met daden van genocide, maar deze redenering lijkt mij niet correct.” Een doctor in de rechten en voormalige adviseur van het Internationaal Gerechtshof (herkenbaar?), die zich door alle gruwel van eerdere genocidedossiers moest worstelen, schrijft in een lange mail: “Ik ben er niet van overtuigd dat Israël een genocide pleegt, maar ik ben momenteel kapitaal aan het ophalen en neem niet het risico om deze stelling publiek in te nemen.”
Dissidente meningen zijn tot in de hoogste regionen van onze instellingen te vinden. Zo schrijft een vicerector aan een Belgische universiteit: “De Gaza-mania die nu heerst, lijkt me collectieve zinsverbijstering. De roep om wat Israël doet tot een genocide uit te roepen sluit daarbij aan.” In officiële mededelingen slaan universiteiten een andere toon aan, wat wel degelijk weegt op het debat. Een Gentse academicus schrijft dat de verkiezing van onze nieuwe rector Petra De Sutter (die in deze kwestie sterk anti-Israël is) de sfeer verder verzuurde: “Ik heb de tendens zien versterken naar aanleiding van de rectorverkiezingen. Je was uitgesproken voor en anders zweeg je maar beter. Door de uitslag en de bijbehorende politieke overtuiging van de nieuwe rector is men gesterkt in de ideologie.”
Antisemitisme
Meerdere collega’s stellen onomwonden dat de kunstmatige consensus voortkomt uit latent antisemitisme: “Wanneer mensen zo gulzig zijn om Israël te veroordelen voor misdaden die volstrekt dagdagelijks zijn in het hele Midden-Oosten is er maar één goede verklaring: selectieve verontwaardiging ingegeven door onbewust antisemitisme.” Een Nederlandse hoogleraar filosofie vindt dat “de overmatige aandacht (obsessie!) met Gaza al per definitie antisemitisch is, omdat dezelfde aandacht zelden gericht is op andere complexe conflicten waarin Joden niet de Daders zijn.” Hij ziet dan ook nauwelijks een verschil tussen antizionisme en antisemitisme.
Een andere hoogleraar stelt dat het “academisch discours steeds vaker verwordt tot gratuite Jodenhaat.” Een Belgische professor aan een Franse universiteit moet vaak denken aan zijn Joodse mentor, die na de pogroms uit Bagdad moest vluchten: “Dat de anti-Israëlische meute, die voornamelijk uit witte en extreem geprivilegieerde jongeren bestaat, deze man als een “witte kolonist” wegzet, en hem en zijn lotgenoten op alle internationale fora willen uitsluiten, vervult mij met een ongelooflijke woede en frustratie.”
Een Belgische academicus met een Joodse moeder, die nochtans fel gekant is tegen Netanyahu en zijn trawanten, geeft toe: “Ik vind het almaar moeilijker om mij in België thuis te voelen”. De eenzijdige vijandigheid tegen Israël noemt ze “ontmoedigend en boosmakend”, de selectieve verontwaardiging en de vurigheid van de haat “flagrant en degoutant.” De laatste jaren ervaart ze ook “veel meer dreiging van fysieke agressie”, in vergelijking met vroeger.
Niet alle getuigende collega’s zijn het over de hele lijn met mij eens, maar sommigen zijn nog een stuk resoluter in hun houding dan ik. Zo stelt een Nederlandse onderzoeker dat het IDF “op alle punten als een van de meest humane legers in de wereldgeschiedenis moet worden gerekend”, gezien de systematische waarschuwingen en de extreme precisie van de aanvallen. Zo’n superlatieven zou ik zelf vermijden.
De kleren van de keizer
Een belangrijk voorbehoud: deze getuigenissen zijn het resultaat van zelfselectie en dus niet representatief voor de academische wereld als geheel. Ik maak me geen illusies: deze afwijkende stemmen vormen nog altijd een minderheid. Wat de getuigenissen wél aantonen, is dat binnen de universiteitsmuren geen ernstig debat meer mogelijk is over Israël en Gaza. Wanneer onderzoekers met de ‘foute’ standpunten uit angst voor repercussies op hun tong bijten, wordt het meerderheidsstandpunt nooit aan kritische toetsing onderworpen. En een theorie die niet aan kritiek wordt blootgesteld, zoals John S. Mill al wist, verwordt tot een ‘dood dogma’.
Dat blijkt ook zonneklaar uit de eerdergenoemde resolutie van de IAGS: die was niet gebaseerd op eigen onderzoek en bevat nauwelijks ernstige argumentatie. De IAGS behandelt de oorlog alsof die maar één strijdende partij heeft (Israël), waarbij de daden van Hamas volledig onzichtbaar blijven. Alle materiële en menselijke schade is dan automatisch de schuld van Israël. Het woord ‘Hamas’ überhaupt komt slechts één keer in de tekst voor, om te melden (zonder enige onderbouwing) dat de acties van Israël ‘niet enkel Hamas’ viseerden maar de hele burgerbevolking. En dat het hoge aantal doden automatisch een ‘genocide’ inhoudt. Het hele document is eerder een lijst met onbewezen stellingen dan een academische analyse—meer een bezwering of geloofsbelijdenis. En het document bevat dezelfde lijst met verdraaide en verzonnen citaten van Israëlische leiders die ik in Quillette analyseerde, zonder bron. In Europa lijkt de sociale druk nog groter dan in de VS. Een petitie tegen de IAGS-resolutie vond in de Verenigde Staten nog vlot honderden ondertekenaars, maar in Europa slechts een handvol—voornamelijk in Duitsland en rond één Londens centrum voor antisemitismeonderzoek.

De consensus over Israël is daardoor artificieel: een product van extreme sociale druk, ideologische radicalisering en wat psychologen een ‘spiraal van stilzwijgen’ noemen. Die ideologische ondermijning van wetenschap doet zich ook op andere domeinen voor, zoals ik samen met 38 andere auteurs aantoon in de bundel The War on Science: van gender tot migratie, van klimaat tot racisme. Een Leuvense professor verwoordt de schade die dit zelfgenoegzame activisme aanricht als volgt: “Waarom zouden externe beleidsmakers, die universiteiten steeds vaker als activistische bolwerken zien, nog middelen toekennen voor ernstig wetenschappelijk onderzoek?”
Wanneer universiteiten zich ontpoppen tot ideologische bolwerken, hoeft het niet te verbazen dat het vertrouwen van de brede bevolking afkalft. De spiraal van stilzwijgen rond Israël is daarvan wellicht de meest dramatische illustratie.
