In het westerse milieudenken is er maar één parasiet: de mens

  • Opinie

In Cixin Liu’s verbluffende sciencefictiontrilogie Remembrance of Earth’s Past (2006-2010) zendt een verbitterde Chinese natuurkundige een radiobericht naar Trisolaris, een geavanceerde buitenaardse beschaving, met de uitnodiging om de aarde te komen veroveren. Ye Wenjie hoopt aanvankelijk dat de wijze aliens kosmische gerechtigheid zullen brengen, maar ze beseft niet – of verdringt – dat ze onze soort helemaal willen uitroeien. Samen met enkele andere mensenhaters richt ze een soort aardse vijfde colonne op, de Earth-Trisolaris Organization, die de veroveraars helpt bij onze verdelging. Hun drijfveer? Een radicaal ecologisme, dat de mens als een plaag ziet voor de planeet.

Dit is beslist niet het eerste scifiverhaal dat het cliché bezigt van de radicale boomknuffelaar die gelooft dat de aarde beter af zou zijn zonder Homo sapiens. In de remake van The Day the Earth Stood Still (2008) vat de alien Klaatu die groene rechtvaardiging voor onze uitroeiing treffend samen: „Als de aarde sterft, sterf jij. Als jij sterft, overleeft de aarde.” Nog bondiger was Agent Smith in The Matrix (1999): „Jullie zijn de plaag, wij zijn de remedie.”

De alien Klaatu (Keanu Reeves) in de eco-misantrope remake van The Day the Earth Stood Still (2008)

Cixin Liu gebruikt wel een opvallende plotwending om de mensenhaat van zijn hoofdpersonage te duiden: als jonge vrouw stuit Ye op een exemplaar van Stille Lente (1962) van de Amerikaanse biologe Rachel Carson. Dat beroemde boek was door de Chinese Communistische Partij verboden als een reactionair pamflet tegen vooruitgang en industrialisatie. Maar Ye verslindt het heimelijk – en wordt uiteindelijk gearresteerd – waardoor ze ‘besmet’ raakt met een radicaal ecopessimisme.

Liu windt er geen doekjes om: „Ye’s rationele beschouwing van de duistere kant van de mensheid begon op de dag dat ze Stille Lente las.” En zo komt ze ertoe om die noodlottige radioboodschap te verzenden die de ondergang van de mensheid inluidt.

Silent Spring Now An Amazon Bestseller Thanks To 3 Body Problem
Ye Wenjie verslindt Rachel Carsons Silent Spring stiekem onder het deken, in de Netflix-versie van The Three-Body Problem.

Staaltje anti-westerse propaganda

Nu zou het makkelijk zijn om deze plot af te wimpelen als een staaltje anti-westerse propaganda van een auteur die bekendstaat als een uitgesproken Chinees nationalist. Rachel Carson was immers verre van de antihumane profeet waarvoor ze vaak wordt versleten. Ze waarschuwde voor de schaduwzijden van industrialisering (vooral pesticiden), maar was niet tegen technologische vooruitgang, laat staan tegen de mensheid.

Toch is Carson inderdaad uitgegroeid tot een patroonheilige van een westerse denkstroming die diep misantroop is. Hoe maak je groene mensenhaat begrijpelijk voor een Chinees publiek, moet Cixin Liu zich afgevraagd hebben. Antwoord: door het voor te stellen als westerse import.

Neem het tweede rapport van de beroemde Club van Rome uit 1975, dat boudweg stelt dat „de wereld kanker heeft, en de kanker is de mens” – precies de metafoor die de booswichten in Remembrance of Earth’s Past gebruiken.

Het beeld van de mens als parasiet, plaag of ongedierte is een terugkerend motief in het westerse milieudenken. De Britse ngo Population Matters vergelijkt de mensheid met een sprinkhanenplaag: eerst verslinden we alles, dan verhongeren we en sterven we uit. Zelfs de innemende Sir David Attenborough noemde de mensheid ooit een planetaire „plaag”. Tijdens de pandemie zei de Italiaanse auteur Sandro Veronesi: „Het echte virus op de planeet aarde, dat is de mens. Die koloniseert en vernietigt de aarde.” Het coronavirus zag hij als de „antilichamen” van Moeder Aarde. Ook paus Franciscus beschreef de pandemie als „de reactie van de natuur” op onze ecologische zonden. En als dat nog niet radicaal genoeg is, wat dacht u dan van de Human Voluntary Extinction Movement, opgericht door een Amerikaanse milieuactivist?

Dit roept een interessante vraag op: is groene misantropie een typisch westers verschijnsel – een soort intellectuele builenpest die wij naar de rest van de wereld exporteren?

Het is niet zo moeilijk om een verhaal te vertellen waarin de moderne milieubeweging een uitloper is van het christelijke geloof. Predikt het christendom niet al eeuwen nederigheid? Benadrukt het niet de zondigheid en verdorvenheid van de mens en de nood aan boetedoening? In zijn groene encycliek Laudato Si (2015) schreef paus Franciscus dat „het misbruik van de schepping begint wanneer we geen hoger doel meer erkennen dan onszelf”.

In een beroemd artikel voor Science verdedigde de historicus Lynn White echter in 1967 al de tegenovergestelde theorie. Volgens hem begínt de meedogenloze overheersing van de natuur juist met de joods-christelijke traditie, in het bijzonder het gebod in Genesis om de aarde te „onderwerpen” en erover te „heersen”. Dat contrasteert White met het heidense animisme, dat de natuur als heilig zag en de mens zag als deel van een groter geheel. Ja, wat is het nu: spoort het christendom aan tot overheersing van de natuur, of juist deemoed en ontzag voor de levende wereld?

Als je een beetje creatief bent, kan je ook wel een verklaring bedenken waarom de Chinese traditie geen groene mensenhaters voortbracht. Misschien past dat gewoon niet in het confucianisme, met zijn nadruk op evenwicht en hiërarchie? Misschien houden de Chinezen bovenal van matiging in plaats van fanatisme.

Bevoorrechte positie

Maar in een intellectuele traditie die duizenden jaren omspant, is het niet moeilijk om sporen aan te treffen van natuurverheerlijking. Het taoïsme bijvoorbeeld gaat in tegen het confuciaanse humanisme en ontkent dat de mens een bevoorrechte positie inneemt in de kosmische orde. De filosoof Zhuangzi (4de eeuw v.Chr.) had een grote voorliefde voor de natuur en vertelde vaak stichtelijke verhalen over dieren en planten, waarmee hij onze menselijke eigenwaan wilde temperen. Nog niet bepaald een pleidooi voor vrijwillige uitsterving, maar toch: ecocentrisme is de Chinese traditie niet helemáál vreemd.

undefined
De Chinese filosoof Zhuangzi (4de eeuw v.Chr.)

Natuurlijk drukte het christendom een stevige stempel op de moderne milieubeweging. De gelijkenissen zijn legio: carbon credits als aflaten, consuminderen als protestantse soberheid, de klimaatcatastrofe als een seculiere apocalyps, waarbij de zondaars moeten boeten en tot inkeer komen.

Maar dat je christelijke beeldspraak terugvindt bij groene denkers, wil niet zeggen dat het christendom de oorzaak is van hun gedachtegoed. Het christendom werd de succesvolste religie ter wereld juist omdat het aansluit bij universele menselijke intuïties, zoals het geloof in een rechtvaardig universum, waarin goede daden worden beloond en slechte daden bestraft. Die gedachte vind je ook in andere tradities, zoals karma in het Indiase denken en Maʿat in het oude Egypte.

Ook de intuïtie dat de natuur een natuurlijke orde of harmonie heeft is geen uitvinding van het christendom, maar komt in bijna alle culturen voor. Het verschil is dat die intuïtie bij niet-westerse culturen wordt getemperd door de barre werkelijkheid. De natuur, zo wisten onze voorouders, is een gevaarlijk oord vol bloeddorstige roofdieren, vleesetende parasieten, weersgrillen en besmettelijke ziekten. Een zorgzame moeder is zij beslist niet, zelfs niet metaforisch. De natuur dwong respect en ontzag af juist omdat ze je in een oogwenk kon vermorzelen, of langzaam verhongeren.

In onze moderne westerse samenlevingen van welvaart en overvloed is die tempering echter bijna volledig weggevallen, waardoor onze intuïties vrije baan krijgen. Onze kindersterfte bedraagt slechts een honderdste van wat ze vroeger was, armoede en hongersnood raakten gaandeweg in de vergetelheid. Wij moderne westerse mensen zijn de eersten in de geschiedenis die bijna compleet beschut zijn tegen de verschrikkingen van Moeder Natuur, van stormen en overstromingen tot extreme droogte en dodelijke epidemieën.

Economen weten dat de relatie tussen economische ontwikkeling en milieuvervuiling een omgekeerde U-vorm aanneemt. Naarmate samenlevingen uit de armoede klimmen, neemt de vervuiling aanvankelijk toe, als bijproduct van industrialisatie. Mensen nemen die viezigheid erbij, omdat ze boven alles uit de armoede willen ontsnappen. Maar dan komt er een kantelpunt. Naarmate je nog rijker wordt, kan je je meer zorgen veroorloven over de natuur en het milieu.

Juist deze combinatie van overvloed en veiligheid laat ons toe om de natuur te romantiseren op een manier die geen enkele jager-verzamelaar of middeleeuwse boer in zijn hoofd zou halen. Hoe beter we zijn afgeschermd, hoe meer we van de natuur vervreemd raken.

Daarnaast is er ook de evidente vaststelling dat onze grootschalige dominantie over de natuur geen historisch weerga kent: van stuwdammen tot stoomschepen, van spoorwegen tot wolkenkrabbers, van vliegtuigen tot kanalen die oceanen met elkaar verbinden. De ambitie om de natuur naar onze hand te zetten is beslist niet in Europa ontstaan (of in Genesis), maar vanaf de industriële revolutie werden wij er wel buitengewoon bedreven in – en dat succes verklaart mede de hevigheid van de tegenreactie.

Ontvankelijker voor groene ideeën

Als dit allemaal klopt, wordt het minder raadselachtig waarom de verheerlijking van de natuur – met groene mensenhaat als extreemste uiting – tot nu toe vooral een westerse kwaal bleef. Westerse landen zijn de enigen die het kantelpunt van de U-curve al ruimschoots voorbij zijn en de lange afdaling hebben ingezet. Naarmate niet-westerse landen rijker worden en over diezelfde bult gaan, zullen ook zij wellicht ontvankelijker worden voor groene ideeën, met inbegrip van de mythe van een lang vervlogen natuurlijke harmonie.

Is het toeval dat een van de invloedrijkste aanhangers van degrowth vandaag, Kohei Saito, een Japanse filosoof is? Japan was het eerste niet-westerse land dat industrialiseerde en toetrad tot de club van rijke landen. Degrowth is een schoolvoorbeeld van postmateriële decadentie, en Saito’s redenering verschilt nauwelijks van die van andere groene profeten uit het Westen: wij moeten onze welvaart opofferen om ‘de planeet te redden’.

In Het einde van de geschiedenis (1992) beschrijft Francis Fukuyama de mensheid als „een lange karavaan die zich uitstrekt over een weg”. Sommige wagens zijn vastgereden of achtergelaten, andere rijden tijdelijk de verkeerde kant op, maar de overgrote meerderheid beweegt zich in dezelfde richting. De schijnbare afstand tussen de wagens is volgens Fukuyama geen gevolg van een „permanente en noodzakelijke” cultuurkloof, maar weerspiegelt eenvoudigweg hun „verschillende posities langs de weg”.

Misschien is het slechts een kwestie van tijd voordat ook China – en de rest van de wereld – een eigen generatie boomknuffelaars en groene misantropen voortbrengt, zonder dat iemand daarvoor stiekem een boek van Rachel Carson hoeft te lezen?

(NRC, 16 januari 2026)