Mijn overgrootmoeder Flavie Van Paemel, geboren in 1904, bracht tien kinderen groot. Zo’n kroost was toen niet uitzonderlijk. Haar jongste werd geboren in 1949, toen ze al vijfenveertig was. Reken je één miskraam en wiegedood mee, dan doorstond ze in totaal twaalf zwangerschappen. Tijdens een van de laatste, midden in de Tweede Wereldoorlog, liep ze via een van haar kinderen roodvonk op. Haar baby overleefde slechts enkele dagen, zijzelf ternauwernood. Toen een priester haar de laatste sacramenten kwam toedienen, begreep ze dat ook de artsen dachten dat ze zou sterven. Maar, zo schreef ze later opstandig in haar memoires, “dat was ik niet van plan”. Ze herstelde en leefde nog bijna zes decennia, tot 2001.
Wilde zij echt tien kinderen? Hoegenaamd niet. Maar in het Vlaanderen van het interbellum had je weinig te kiezen. De katholieke Kerk was oppermachtig en bepaalde je leven tot in de slaapkamer. Elk huwelijk moest openstaan voor nieuw leven, anticonceptie was strikt verboden. Bleef een zwangerschap te lang uit, dan kwam meneer pastoor aan de deur kloppen om je te herinneren aan je godvruchtige plicht. Of je nu nul kinderen had of al zes stuks: elke vorm van kunstmatige geboortebeperking gold als zondig. De enige betrouwbare manier om kinderloos te blijven, was intreden in het klooster — een weg die twee van haar zussen kozen.

Een brief
In 1973, toen ze al bijna zeventig was, schreef mijn overgrootmoeder een lezersbrief in deze krant, gericht aan de bisschop van Gent. Dit is wat er gebeurde. De Belgische overheid had eindelijk de verspreiding van informatie rond anticonceptie gedecriminaliseerd, net zoals de verkoop van de pil. Na jarenlang verzet, ging de Katholieke Kerk eindelijk overstag. Niet omdat ze anticonceptie aanvaardde, maar omdat ze hoopte om tenminste enkele abortussen te voorkomen, een nog groter kwaad. Maar de regering wilde verder gaan en zélf een publieke informatiecampagne opzetten. Dat vond de bisschop van Gent, Mgr. Van Peteghem, een gotspe. In een open brief veroordeelde hij de campagne als een “nefaste dwaalleer” die zou leiden tot “ongebreideld erotisme”. Tegelijk benadrukte hij dat de Kerk altijd al “verantwoord ouderschap” had bepleit. Echtgenoten die zich “voortplanten in het wildeweg”, handelen volgens hem “niet menselijk maar immoreel”.

Beeld je in hoe deze brief binnenkwam bij mijn overgrootmoeder. Net zoals duizenden vrouwen was zij jarenlang door de Kerk onder druk gezet om zwangerschap na zwangerschap te dragen, of ze nu wilde of niet. En dan komt een bisschop je vertellen dat het onverantwoordelijk van je was geweest om te kweken als konijnen. Dus kroop ze in de pen. In haar brief aan De Standaard noemt ze de woorden van de bisschop een “regelrechte belediging en kaakslag” voor ouders van grote gezinnen. Ze herinnert eraan dat men vroeger niet het recht had om zwangerschappen te voorkomen, “zelfs niet wanneer het leven van de vrouw in gevaar kwam”, en dat de Kerk toen “onmenselijk streng en meedogenloos” was. Dat diezelfde Kerk nu met terugwerkende kracht iets heel anders laat uitschijnen, verklaart volgens haar waarom zoveel mensen “zich niets meer laten wijsmaken”. En dan besluit ze schamper: “Dank u wel, monseigneur, nu weten we tenminste hoe u over ons denkt.”

Van bom naar implosie
De bisschoppelijke nadruk op “verantwoord ouderschap” kwam niet uit het niets. Begin jaren zeventig groeide de angst voor overbevolking. Milieuzorgen en onheilstijdingen over schaarste en honger deden hun intrede in het publieke debat, ook in Vlaanderen. Het beroemde rapport Grenzen aan de groei van de Club van Rome werd gretig gelezen en besproken. Milieudenkers als Paul Ehrlich en dichter bij ons Etienne Vermeersch vaarden terecht uit tegen het irrationele taboe van de Kerk op anticonceptie. De Kerk zat in het defensief en voelde de druk om zich te verhouden tot een nieuwe, seculiere moraal rond voortplanting.

Vandaag weten we dat die doemvoorspellingen gelukkig niet uitkwamen. Net zoals dominee Thomas Malthus aan het einde van de 18de eeuw, onderschatten de doemprofeten de menselijke vindingrijkheid. De productiviteit van onze landbouw nam nog sneller toe dan de bevolking, grondstoffen raakten nooit uitgeput, en de milieuvervuiling nam sterk af. Telkens dankzij technologische innovatie.
En vandaag? Ironisch genoeg kampen we vandaag met het omgekeerde probleem. Niet te veel, maar juist te weinig baby’s. De vruchtbaarheidscijfers zijn overal ter wereld in vrije val, zelfs in streng religieuze landen. In zowat alle welvarende landen zit het aantal kinderen per vrouw structureel onder het vervangingsniveau (Israël is de enige uitzondering), en de bodem lijkt nog steeds niet in zicht. Als de huidige geboortecijfers aanhouden, zullen elke honderd Zuid-Koreanen gezamenlijk slechts zes achterkleinkinderen voortbrengen. Dat leidt tot omgekeerde doemvoorspellingen: een implosie in plaats van een bom.
Een waarschuwing
En zeker, de bevolkingskrimp kent ernstige nadelen. Niet alleen weegt de vergrijzing op de welvaartsstaat, maar het dalende geboortecijfer kan ook leiden tot economische stagnatie. In zowat elk land zijn het vooral jonge mensen die nieuwe ideeën hebben en dingen uitvinden.
Toch bevat het leven van mijn overgrootmoeder vooral een waarschuwing. De bezorgdheid over te weinig kinderen mag deze keer gestoeld zijn op rationele argumenten in plaats van religieuze dogma’s, dat wil niet zeggen dat morele dwang deze keer wél gerechtvaardigd is. De oplossing voor demografische problemen kan nooit liggen in morele druk op koppels (en vooral vrouwen) om meer kinderen te krijgen dan ze wensen. De generatie van mijn grootmoeder betaalde een hoge prijs voor een samenleving die voortplanting als morele plicht beschouwde. Dat geen van haar tien kinderen er zelf meer dan drie kreeg, is geen toeval: dat cijfer ligt veel dichter bij de intrinsieke voorkeur van mensen.
Extra problematisch is dat zorgen over onderbevolking nu vooral gedomineerd worden door (uiterst) rechtse figuren als Elon Musk, die openlijk mijmeren dat de seksuele revolutie misschien één grote vergissing was, en dat het tijd wordt om vrouwenrechten terug te schroeven om de uitsterving van de mensheid te behoeden.
Ironisch genoeg bezondigen beide tegengestelde doemvoorspellingen zich aan dezelfde status quo bias: ze onderschatten de toekomstige technologische innovatie. Als de AI-revolutie haar belofte waarmaakt en aanzienlijke productiviteitswinst per werknemer oplevert, zou dit het afnemende aantal menselijke werknemers kunnen compenseren. Natuurlijk is het makkelijker om economische groei en vooruitgang te verwezenlijken als je veel jonge breinen hebt, maar het is niet onmogelijk met een krimpende bevolking. Alleen moeten progressieven dan wel terug in groei en innovatie geloven, zoals ik ook betoog in Het verraad aan de verlichting. De huidige slabakkende productiviteitsgroei volstaat amper om de vergrijzing bij te benen, wat betekent dat we afstevenen op collectieve verarming.
Een progressief pleidooi voor meer kinderen kan ook zonder afbreuk te doen aan duur bevochten vrijheden. Dat is precies wat denkers in de progress movement nastreven, om het terrein niet helemaal prijs te geven aan Elon Musk en consorten. Het goede nieuws is dat het aantal kinderen dat mensen wensen (zoals aangegeven in peilingen) gevoelig hoger ligt dan het aantal dat ze werkelijk krijgen. Er is dus nog best wat beleidsruimte om de obstakels weg te werken die ertoe leiden dat mensen minder kinderen krijgen dan ze wensen: een hogere kinderbijslag, gratis kinderopvang zonder wachtlijsten, belastingvrijstellingen, meer flexibiliteit in de carrière van vrouwen.
Maar prikkels moeten positief blijven en niet op dwang neerkomen. Dat vrouwen vandaag de vrijheid genieten om geen kinderen te krijgen, is geen teken van verval, maar van morele vooruitgang. Liever een wereldbevolking van één miljard mensen die hun eigen leven kunnen inrichten, met of zonder nageslacht, dan tien miljard mensen die onder druk staan om zoveel mogelijk baby’s te verwekken, of ze dat nu willen of niet. Mijn vriendin Elle Griffin, eveneens betrokken in de progress movement, verwoordt het als volgt: “Ik ga geen kinderen krijgen alleen maar om de economie te redden”.
Het zou wrang zijn mocht de generatie van onze grootouders de priester van hun deur verjaagd te hebben, om dan vast te stellen dat een andere morele boekhouder komt aankloppen: “Hebt u al uw steentje bijgedragen aan de economische groei, mevrouw?”

(Een ingekorte versie van dit stuk verscheen in De Standaard).