De Rotterdamse kunstenaar Daan Samson maakt kunstinstallaties die hij ‘welvaartsbiotopen’ doopt. Rode draad in die werken is de versmelting van ongerept natuurschoon en moderne technologie. Zo zag ik op een tentoonstelling een glazen vivarium met schubmieren, met in het midden een pontificale stalen melkopschuimer van Nespresso, een beetje zoals de mysterieuze zwarte monoliet uit 2001: A Space Odyssey. Of een glimmende elektrische droomauto van Mercedes-Benz op een Boliviaanse zoutvlakte, tussen enkele stoere cactussen. Mijn favoriete welvaartsbiotoop toont een kleine modulaire kernreactor van Rolls-Royce, pardoes in het regenwoud van het Congobekken: een stalen rups met glimmende schubben, half verzonken in de grond, die wel iets weg heeft van de zandwormen uit Dune van Frank Herbert.
Moeten we kiezen tussen de schoonheid van wildernis en techniek, lijkt Samson ons te vragen, tussen rijzige sequoia’s en even rijzige wolkenkrabbers? Of kunnen we het beste van beide werelden verzoenen?
Sommige kunstcritici dachten dat Samsons welvaartsbiotopen ironisch bedoeld waren. Het was vast een subtiele veroordeling van massaconsumptie en schreeuwerige product placement, of een aanklacht tegen technologie die wilde natuur bezoedelt. En viel er ook geen kapitalismekritiek in te bespeuren? In een antwoord op zijn subsidieaanvraag bestempelde de Rotterdamse cultuurcommissie de welvaartsbiotopen echter als „potsierlijk”. De commissie „mist de kritische reflectie”, zo stelt het zurige rapport, en had liever een „maatschappijkritische tentoonstelling over welvaart” gezien. Wie subsidies wil krijgen – dus belastinggeld afgeroomd van de kapitalistische melkkoe – moet antikapitalistische kunst maken. Een kunstenaar die welvaart en vooruitgang viert? Geen subsidies voor deze hansworst!
Als vooruitgangsdenker geloof ik niet gauw dat iets vroeger beter was, want zoals de Amerikaanse journalist Franklin P. Adams ooit zei: „Niets is méér verantwoordelijk voor de goede oude tijd dan een slecht geheugen.” Toch raak ik er de laatste jaren steeds meer van overtuigd dat er écht iets veranderd is in onze cultuur. Als je grasduint in de kunst en de populaire cultuur van vroeger, leken onze voorouders écht positiever gestemd over moderniteit en technologie. Doemdenken is van alle tijden, maar vandaag lijkt het geloof in vooruitgang helemaal dood en begraven.
Hulde aan stoommachines
Heb je ooit poëzie gelezen die de lof zingt van moderne technologie? Vandaag klinkt het gek, maar vroeger geenszins. In zijn epische gedichten bracht de achttiende-eeuwse denker Erasmus Darwin hulde aan stoommachines, graanmolens en hoogovens. De grootvader van de beroemde Charles voorspelde zelfs de uitvinding van locomotieven en vliegtuigen – en werd daar nog blij van ook. Rudyard Kipling, een van de beroemdste dichters van de negentiende eeuw, schreef een ode aan de stoomboot: hij vergeleek de machtige machines met een symfonisch orkest. Anderen componeerden lofzangen over het Panamakanaal of machtige stuwdammen, of een eerbetoon aan de telegraaf en de uitvinder ervan, Samuel Morse. Want waarom zou er geen schoonheid schuilen in menselijk vernuft?
In de negentiende eeuw, toen de industriële revolutie op kruissnelheid kwam, verschenen ook talrijke utopische romans die de mensheid een toekomst van universele welvaart en broederschap voorspiegelden. De populairste titel in dat genre was Looking Backward van de Amerikaanse schrijver Edward Bellamy uit 1888. Het hoofdpersonage valt in een hypnotische slaap van 113 jaar en ontwaakt in 2000, waar hij de samenleving van zijn dromen aantreft. Niemand hoeft nog te werken, alles is gratis, honger is voorgoed uitgeroeid. Onze overgrootouders lustten er wel pap van: Looking Backward werd een van de bestverkopende boeken van de eeuw.

Dat optimisme duurde tot diep in de twintigste eeuw. In de beeldende kunsten had je bewegingen als art deco, futurisme en popart, die positief stonden tegenover technologische vooruitgang en industrialisering. Op wereldtentoonstellingen kon je kennismaken met de nieuwste snufjes op het vlak van technologie en industrie. Zelfs in de jaren dertig, toen zich donkere wolken samenpakten boven de westerse wereld, bleef de toon hoopvol. De wereldtentoonstelling in Chicago van 1933 heette A Century of Progress en had als motto: „De wetenschap ontdekt, de industrie past toe, de mens past zich aan”. In New York in 1939 vertrokken bezoekers met een vrolijk blauwwit speldje: „Ik heb de toekomst gezien.” Dat speldden ze nog op hun hemd ook, zonder zich belachelijk te voelen.
New frontier
Was het optimisme na de Tweede Wereldoorlog afgelopen? Niet echt. In 1955 opende Walt Disney zijn themapark Tomorrowland (onderdeel van Disneyland) met de gevleugelde woorden: „Morgen kan een prachtig tijdperk worden”, dankzij wetenschap en techniek. De jaren zestig brachten de iconische tv-serie Star Trek, die zich afspeelt in een hoopvolle en hoogtechnologische toekomst van ruimtereizen. Aardse problemen zoals armoede en oorlog waren voorgoed verleden tijd, niet langer geschikt als plotmateriaal. Het wijde universum lag aan onze voeten als een eindeloze ‘new frontier’, klaar om te ontdekken. De slagzin van het ruimteschip Enterprise: „Stoutmoedig gaan waar nog nooit iemand is geweest!” In datzelfde decennium keken miljoenen mensen ook naar The Jetsons, een futuristische televisieserie waarin mensen rondreizen in vliegende auto’s en op zwevende platforms. Elk gezin heeft een robot als huishoudhulp, voor een heerlijke maaltijd volstaat een druk op de knop.
Vergelijk dat met onze hedendaagse sciencefiction: dat is een verhaal van duizend-en-een nachtmerries. Als we niet door kunstmatige intelligentie worden uitgeroeid, dan wel door buitenaardse wezens. Als een kernoorlog de planeet niet vernietigt, dan wel een ecologische catastrofe. Wie al deze rampspoed als bij mirakel toch overleeft, komt vast en zeker terecht in een tranendal. In de populaire filmfranchise The Hunger Games dwingt een totalitaire wereldregering mensen om tot de dood te vechten in sportarena’s, bij wijze van entertainment. In The Handmaid’s Tale leven toekomstige vrouwen als onderdanige broedmachines in een patriarchale christelijke dictatuur. In The Matrix melken superintelligente robots ons letterlijk uit als levende batterijen.
Tv-serie Black Mirror is de vindingrijkste van allemaal, met 27 afleveringen en evenveel toekomstbeelden. Ik heb het even geturfd: hooguit eentje is onverbloemd optimistisch over technologie (‘San Junipero’, verreweg de beste). De overige afleveringen zijn één lang griezelfestijn, met doorgaans technologie als boosdoener – van virtuele realiteit tot killerdrones, van hersenchips tot surveillancecamera’s. Deze serie weerspiegelt onze collectieve verbeelding. Als er ergens een nieuwe technologie opduikt, zoals AI, kunnen de meesten enkel denken aan wat zoal fout kan lopen: een tsunami van deepfakes, de teloorgang van menselijke relaties, de doodsteek van creativiteit. Of natuurlijk de uitroeiing van de hele mensheid door roofzuchtige robots.

En onze hedendaagse kunst, zoals je die in musea en dichtbundels aantreft? Dat lijkt soms een eindeloze litanie tegen de verschrikkingen van moderne technologie, kapitalisme en „consumptiecultuur” (ook wel bekend als welvaart). Die zou tot allerlei kwalen leiden: vereenzaming, vervreemding, commodificatie, mentale afstomping, spirituele leegte, verlies van authenticiteit. Niet zelden leidt dat tot tegenstrijdige diagnoses: is de moderne mens veranderd in een volgzaam kuddedier, of juist een hyper-individualistische narcist? Leven we in een emo-cratie waarin gevoelens boven alles gaan, of juist een neoliberale prestatiecultuur waarin kille cijfers en ratio de bovenhand voeren?
Geloof verliezen
Ik weet het, ik moet opletten dat ik niet te selectief te werk ga. Er waren in de negentiende eeuw heus wel gedichten over de verschrikkingen van de „donkere satanische molens”, zoals de Engelse dichter William Blake de nieuwe fabrieken beschreef, net zoals er in de naoorlogse decennia ook kunstenaars rondliepen die moderne technologie hekelden. Toch voel je aan je kleine teen dat een cultuurcommissie een eeuw geleden minder vreemd had opgekeken van Daan Samson en zijn vrolijke welvaartsbiotopen. Zoals Kamagurka ooit zei: „Vroeger was de toekomst beter.”
Wat gebeurt er met een beschaving die haar geloof in vooruitgang opgeeft? Een mogelijkheid is de vloek van de self-fulfilling prophecy. Als we met z’n allen ons geloof in vooruitgang verliezen, dan zál stagnatie ons deel zijn. Burgers verzetten zich vandaag tegen zowat elk nieuw bouwproject, overheden knijpen nieuwe technologie dood met het conservatieve ‘voorzorgsbeginsel’, en bedrijven investeren steeds minder in onderzoek en ontwikkeling.
Een tijdgeest is moeilijk in een grafiek te gieten, maar als je kijkt naar harde cijfers over bbp-groei, economische productiviteit en innovatie, word je daar niet vrolijk van. Zeker, de economie groeit nog steeds, maar beduidend langzamer, vooral in het sukkelende Europa. We hebben meer wetenschappers dan ooit, maar minder baanbrekende ontdekkingen. Zoals de Frans-Duitse homo universalis Albert Schweitzer ooit zei: „Echte vooruitgang hangt nauw samen met het geloof van een samenleving die deze vooruitgang mogelijk acht.”
Is het niet dringend tijd dat we vooruitgang en innovatie weer naar waarde schatten? Om de wereld te verbeteren, hebben we niet alleen wetenschappers en uitvinders nodig, maar ook kunstenaars zoals Daan Samson, die ons de schoonheid en poëzie van moderne industriële technologie laten zien. En die de verbeeldingskracht hebben om zich nog betere werelden voor te stellen. In welk paradijs kunnen we wakker worden in 2150, na nog eens een hypnotische slaap van een dikke eeuw?
(NRC, 18 juli 2025)