Vooruitgangsdenker wordt nostalgicus

Alles gaat vooruit in de wereld, behalve Rutger Bregman. Sta me toe me dat te verduidelijken. Eerst een bekentenis: ik koester bewondering voor Rutger. Op zijn 24ste al schreef hij De geschiedenis van de vooruitgang, een virtuoos verhaal van de ganse vaart der volkeren, van de oerknal tot 9/11. En dat was slechts het begin: zijn volgende boek Gratis geld voor iedereen werd vertaald in meer dan twintig talen; de machtigen der wereld hingen aan zijn lippen bij zijn TED-talk over het basisinkomen, en Bregman speelde stokebrand in Davos en op Fox News, met een miljoenenpubliek tot gevolg.
Maar is Rutger Bregman (nog) wel een vooruitgangsdenker? Van begin af aan zaten er barsten in zijn vooruitgangsverhaal. Hij geloofde dan wel in materiële vooruitgang, maar wat betreft de geestelijke gesteldheid van onze samenleving konden cultuurpessimisten als Paul Verhaeghe hem toen al bekoren. Teneur: nog nooit hadden we het zo goed, nog nooit voelden we ons zo slecht.
De echte kanteling begon toen Bregman het utopisme omarmde. Je breekt nu eenmaal geen potten door enkel te verkondigen wat goed gaat in de wereld. En wie paradijselijke vergezichten schetst, moet zich kunnen afzetten tegen een lelijk heden. Eerst klonk nog: het gaat goed, het kan nog beter. Steeds meer werd het: dit is vreselijk, alles moet veranderen. En dus vervelde hij langzaam van vooruitgangs- tot achteruitgangsdenker.
In Gratis geld voor iedereen spreekt hij nog over het „paradijs” van de moderne mens, maar het is een „treurig paradijs” en „dystopie”, een zielloze technocratie die enkel „lege vrijheid” viert. In Davos donderde hij: „Taxes, taxes, taxes all the rest is bullshit.” Nou nee: armoede, ellende en geweld – all de rest is bullshit. Hoe we armoede bestrijden, moeten we pragmatisch bekijken. Belastingen heffen is een mogelijkheid, maar filantropie ook. Want wie zegt dat die belastingen goed besteed zullen worden? Miljonairs afzeiken doet het goed bij de linkse achterban, maar het helpt de wereld niet vooruit.
In zijn laatste boek, De meeste mensen deugen. Een nieuwe geschiedenis van de mens, valt er nog minder vooruitgangsdenken te bespeuren. Bregman droomt niet enkel van utopieën die veel mooier zijn dan onze wereld, hij gelooft dat ze ooit al bestonden. Met andere woorden: hij is nostalgicus geworden. Bregman is als historicus te belezen om het nabije verleden te romantiseren, dus situeert hij zijn paradijs in de mist der tijd, voor de uitvinding van het schrift en de landbouwrevolutie. Jager-verzamelaars waren vreedzaam en zachtaardig, ze deelden alles, ze leefden in harmonie met de natuur, en ze waren gezond en gelukkig. Ze deugden gewoon. Het hele idee van ‘moord’, schrijft Bregman, zou onze voorouders vreemd voorgekomen zijn.
Denkers die openlijk hun standpunt bijstellen, verdienen alle lof. Zo ook Bregman. Maar dat hij zegt dat hij zich nu kapot schaamt” over zijn eerdere werk, stemt tot nadenken. In interviews rekent Bregman niet alleen af met zichzelf, maar ook met vooruitgangsdenkers als Steven Pinker en Johan Norberg. Ze schrijven jippiejee-boekjes” en beweren dat vooruitgang vanzelf gaat” (hij rekent mijn boek er ook bij). Dat is onzin, want al deze denkers beklemtonen voortdurend dat vooruitgang geen historische noodzaak is, en dat elke meter duur bevochten is. Als er iemand op nogal laconieke toon over vooruitgang schreef, alsof het allemaal wel lekker los zou lopen (bijvoorbeeld over het klimaat), dan was het precies de 24-jarige Rutger.
Niet dat ik zijn psychiater wil uithangen, maar zou het kunnen dat hij zijn eerdere ‘zonden’ nu projecteert op andere vooruitgangsdenkers? Dat hij de behoefte voelt om zich des te hard van zijn eerdere medestanders af te zetten, omdat ze hem herinneren aan zijn vroegere zelf? En dat hij zich daarom bekeerde tot pessimisme?
Rutger, laat die jager-verzamelaars nou eens met rust. Wanneer omarm je weer de vooruitgang? De wereld is al veel beter dan vroeger, en we kunnen hem nog mooier maken.
(iets ingekort verschenen in NRC, 4/10/2019)
x