Waarom doemdenkers zo diepzinnig lijken

De gastredacteur van het Amerikaanse tijdschrift Wired, een zekere Barack Obama,schreef deze maand dat het hier en nu, anno 2016, de beste tijd ooit is om te leven. In de ogen van velen is een dergelijk blakend optimisme compleet losgezongen van de werkelijkheid, om niet te zeggen bespottelijk. Kijk naar de oorlog in Syrië, de wereldwijde golf van terreuraanslagen, het massagraf op de bodem van de Middellandse zee, de opkomst van populistisch rechts, de groepsaanrandingen in Keulen, de graaizucht van bankiers, de Brexit en de nakende ondergang van de Euro – hoe ontstellend naïef en wereldvreemd moet je zijn om te denken dat anno 2016 het beste jaar ooit is? Het doet bijna denken aan Dr. Pangloss, de beroemde kamergeleerde uit Voltaires satirische boek Candide, die volhield dat we in de best mogelijke van alle werelden leven, in weerwil van alle hilarische rampspoed die hem en zijn lotgenoten in het verhaal treffen.
Recent verschenen twee boeken waarvan het twijfelachtig is, afgaand op de inhoud en de teneur, of de auteurs op Barack Obama zouden stemmen, of althans of ze hoog met zijn vooruitgangsdenken oplopen: De Wereld van De Wachter van de psychiater Dirk De Wachter, en Onbehagen. Nieuw licht op de beschaafde mens van de Nederlandse essayist Bas Heijne.
De tijd van vertrouwen en verwachting is voorbij, aldus Heijne. Ons optimistische wereldbeeld van vroeger is fundamenteel achterhaald.
“Politiek populisme, religieus radicalisme, herlevend nationalisme, racisme, het steeds harder botsen van identiteiten, de immorele bankiers, het zalig verklaarde rendementsdenken en het onuitroeibare ons-kent-ons van iedere bestuurlijke elite — ze lijken stuk voor stuk een streep te halen door de rekening van het humanistisch optimisme van de voorgaande decennia”.
Dirk De Wachter klinkt nog mismoediger. Iedereen in onze samenleving is ontheemd en eenzaam, onze identiteit is versnipperd, overal heerst het lege hedonisme en de “ikkigheid”. De angst en onzekerheid groeit, overal slaat de vertwijfeling toe. De hedendaagse mens is “dubbel uitgehold: bekaf van het achterna hollen, en hol vanbinnen.”
De hardnekkigheid van pessimisme
Nu zou ik u in dit essay om de oren kunnen slaan met boeken vol cijfers en statistieken die vooruitgang op alle vlakken moeten aantonen, zoals The Better Angels of Our Nature van Steven Pinker, The Rational Optimist Matt Ridley, The Moral Arc van Michael Shermer, en Progress van Johan Norberg. Of ik zou u voor de kernboodschap kunnen doorverwijzen naar de TED-lezing van Zweedse statisticus Hans Rosling, die de volkomen terechte titel draagt: “The best stats you’ve ever seen”. Maar die preek heb ik hier eerder al eens afgestoken. De ervaring leert overigens dat tegen cultuurpessimisme geen grafiek of cijferberg is opgewassen.
Dat leidt tot een andere vraag: waarom is pessimisme zo aantrekkelijk? Talloze verklaringen werden al geopperd. De media besteden overmatige aandacht aan wat fout gaat, omdat vrede en veiligheid geen nieuwswaarde hebben (“Live vanuit Wuustwezel hier, nog steeds geen aanslagen gepleegd!”). Hoe goed het ook gaat met de wereld, er zal altijd voldoende miserie overblijven om het avondjournaal mee te vullen. Dat geldt zeker in de geglobaliseerde wereld van vandaag. Niets reist sneller dan het licht, behalve slecht nieuws, schreef de Britse schrijver Douglas Adams; dat beantwoordt aan zijn hoogsteigen bewegingswetten.
Een andere verklaring luidt dat de voortschrijdende vooruitgang ons ook gevoeliger gemaakt voor misstanden. Hoe veiliger en welvarend de wereld is, hoe hoger we onze verwachtingen bijstellen, en hoe meer we schrikken als er iets fout loopt. We zijn dus het slachtoffer van ons eigen succes. Tel daarbij nog de gebrekkigheid van ons geheugen, en onze psychologische neiging om het verleden te romantiseren, vooral de tijd waarin we zelf opgroeiden, en je begint te begrijpen waarin cultuurpessimisme zo wijdverbreid is.
Behoudswet van gezeik
Maar zijn die verklaringen wel toereikend? Is de bewijslast voor vooruitgang niet zo verpletterend dat je stilaan de ondergang van het doemdenken zou voorspellen? Toch evolueert het pessimisme. Zelfs de zwartste zwartkijker kan het licht van de zon niet loochenen. Dat we gezonder en rijker en welvarender zijn dan ooit tevoren, wordt door verstandige mensen doorgaans wel erkend, maar het geeft allerminst aanleiding tot vrolijkheid. De pessimist verlegt gewoon het front, weg van de maatstaven waarop onze vooruitgang het meest zichtbaar is. Materiële welvaart of vrede is niet waar het volgens hem echtom draait. Natuurlijk zijn we rijker en gezonder dan ooit tevoren, erkent de cultuurpessimist knarsetandend, maar we zijn wel ontheemd en vervreemd in de moderne wereld. Misschien zijn er vandaag wel minder oorlogen, maar er is meer onzichtbaar “systemisch geweld”. Misschien is openlijk racisme wel op zijn retour, maar er is een sluipende opmars van “cultureel racisme”, dat des te subtieler en daarom gevaarlijker is. Misschien zijn we vandaag welvarender en gezonder, maar we zitten wel allemaal aan de pillen.
Soms lijkt het cultuurpessimisme wel een bewegend doelwit, dat telkens op de vlucht slaat voor de vaart der vooruitgang. In hoeveel opzichten het ook goed gaat, de pessimist blijft zich vastklampen aan de overtuiging dat we ons op een of andere manier aan de rand van de afgrond bevinden. Noem het de Wet van het Behoud van Gezeik. Ongeacht hoe goed het gaat met de wereld, er wordt altijd evenveel gezeken. Of anders geformuleerd, met een knipoog naar de thermodynamica: in een gesloten denksysteem, blijft de hoeveelheid gezeik constant.
Diepzinnig
Hier is een dieperliggende verklaring voor de Behoudswet van het Gezeik: pessimisme klinkt diepzinnig. Een onheilsprofeet lijkt altijd slimmer dan een optimist. De filosoof John Stuart Mill, een pionier in het vooruitgangsdenken, verwonderde er zich al over dat niet degene die hoopt wanneer anderen wanhopen, maar degene die wanhoopt wanneer anderen hoopvol zijn, door de grote meerderheid als een wijze wordt geroemd. Maar waarom worden doemdenkers als doordenkers aanzien?
De zwartkijker lijkt iemand die voorbij de schone schijn van de wereld ziet. De zorgeloze massa is op het dek aan het feesten, maar de doemprofeet ziet de ijsschots opdoemen in de verte. Iemand die meent dat het goed gaat met de wereld, komt daarentegen over als zelfgenoegzaam, zijn boodschap als banaal. De optimist klinkt als een glunderende verkoper met een doorzichtig promopraatje: “Maak je geen zorgen, het komt allemaal goed, ons product is geweldig.” Donkere wolken pakken zich samen rond de wereld, maar de verdwaasde optimist heeft niets in de gaten.
Gunstige tijdingen over de wereld zijn dus extra verdacht voor de cultuurpessimist. Ironisch genoeg ziet Bas Heijne een boek als dat van Steven Pinker, dat de daling van oorlog en geweld door de eeuwen heen aantoont met harde cijfers, net als een “barometer voor onze tijd”, die een “knagende twijfel moet bezweren”. Precies dat het goed lijkt te gaan met de wereld, bewijst dat het slecht gaat. Perceptie doet er wel degelijk toe, volgens Heijne, en we mogen niet zomaar vertrouwen op mooie cijfers en statistieken. Als iedereen het unheimlichein zijn kleine teen voelt – of als Heijne aan zijn kleine teen voelt dat iedereen het voelt – dan gaat het per definitie slecht. Ook De Wachter loochent niet dat we vandaag welvarender zijn dan ooit tevoren. Misschien is het algemene gelukspeil zelfs gestegen. Maar dat zogenaamde geluk is puur oppervlakkig en betekenisloos. De gelukscultus, aldus Dirk De Wachter, verraadt enkel een “grote geestelijke leegtebubbel”.
Een ander epigoon van het mondaine cultuurpessimisme in onze contreien, die De Wachter ook uitgebreid citeert, is psychoanalyticus Paul Verhaeghe. Precies de dwang om van het leven te genieten in onze welvaartsstaat, maakt ons volgens Verhaeghe depressief, ontheemd en uitgeblust. Onze sociale weefsels ontbinden, onze identiteit vervaagt. Een kille en onpersoonlijke disciplinering domineert ons leven, de bakens van autoriteit brokkelen af. Nooit hebben we zoveel welvaart gekend, maar toch zijn we nog nooit zo ongelukkig geweest: “We genieten ons te pletter. Maar niemand is tevreden.”
In The Guardian schreef een andere vrolijke frans, George Monbiot, onlangs nog dat we in een “post-Hobbesiaanse dystopie” leven, waarin een “oorlog van iedereen tegen zichzelf” woedt, die alleen “ondraaglijke pijnen” met zich meebrengt. Paul Verhaeghe is het roerend eens. Ons leven is een ‘sociaal-darwinistisch’ inferno geworden waarbij de zwakken worden vertrappeld door de sterken, die ondertussen zelf massaal ten prooi vallen aan burn-outs en depressies.
Zelfs de Nederlandse historicus Rutger Bregman, die nochtans een aanstekelijk en briljant pleidooi over morele vooruitgang schreef in De geschiedenis van de vooruitgang, begint als een cultuurpessimist te klinken wanneer hij het over de geestelijke gesteldheid van onze samenleving heeft. Bregman vindt weliswaar dat we in een paradijs leven, maar het is wel een “treurig paradijs”. De utopieën zijn begraven, de morele bevlogenheid van weleer is uitgeblust, er heerst enkel nog een zielloze technocratie. “Vrijheid is ons hoogste goed, maar het is een lege vrijheid geworden.”
Mystiek
De Behoudswet van Gezeik laat weinig ruimte voor constructieve pogingen om de euvels van onze snel veranderende maatschappij – die er natuurlijk wel zijn – het hoofd te bieden. Dergelijke oplossingen kunnen slechts schijn zijn, en moeten zo snel mogelijk doorprikt worden. Neem het probleem van constante overprikkeling dat de nieuwe media met zich meebrengen, en de toenemende drukte van ons moderne leven. De Wachter zet in zijn boek een uitgebreide klaagzang in over het gebrek aan stilte en rust in onze samenleving. Maar is hij dan niet opgezet met de groeiende aandacht voor meditatie, yoga, onthaasting, stilte-coupés in de trein, restaurants zonder smartphone? Nee hoor. Die ontwikkeling sabelt hij neer als een “modieuze stiltehype” die onze stilte gewoon tot een ordinair koopwaar reduceert, en die moet verhullen waar het écht om gaat. De stilte wordt “afgesplitst, uitvergroot, ingeblikt en verkocht”, maar de “ware stilte” gaat verloren. Weer niet goed.
Maar waar gáát het dan echt om? Door de Behoudswet van het Gezeik wordt het cultuurpessimisme bij stijgende vooruitgang steeds vager, ijler en onvatbaarder. A la limitevervalt de doemdenker in een soort van mistige mystiek. Alles wijst erop dat het goed gaat met de wereld, maar toch verkeert de hedendaagse mens in algehele malaise. In het midden van zijn identiteit gaapt een onpeilbare leegte die niet onder woorden te brengen valt. Het gemis is onbestemd en onvatbaar, iets dat je niet met cijfers en statistieken kan meten, een soort je-ne-sais-quoi. Of om het met de Heideggeriaanse hoogdravendheid van De Wachter te zeggen: “het Zijn laat zich niet taggen”.
Eerder dan een inhoudelijke boodschap, krijg je bij de moderne cultuurpessimisten de indruk dat het om de neerslachtige en melancholische teneur gaat. Met name De Wachter erkent – wat hem op zich siert – dat hij zelf geen pasklare antwoorden heeft, dat hij vooral persoonlijke bespiegelingen bij onze maatschappij wil. Het boek zit dan ook vol met vertwijfelde vragen, stokende redeneringen en onderbrekingen, en zelfs een wat theatrale lege pagina als “ode aan de stilte”. Something is rotten in the state of Denmark, nu alleen nog uitdokteren wat.
Tegenstrijdig
Het probleem is dat cultuurpessimisten uitblinken in tegenstrijdigheden, die de lezer nauwelijks opvallen als je er niet bij stil staat en even terugbladert. Bij De Wachter klinkt het de ene keer dat onze identiteit vervlakt en dat we allemaal tot eenheidsworst verworden, de andere keer schrijft hij dat het extreme individualisme (ons “oeverloos magma van ikkigheid”) mensen uit elkaar drijft, als afgedwaalde eilandjes in een oceaan van ellende. De ene keer verdwijnen onze verschillen door globalisering, de andere keer gaat de eenheid van de wereld verloren. Zijn we allemaal aan het vereenzamen, of staan we net dwangmatig met elkaar in contact, via moderne technologie? Is er sprake van een Nieuwe Disciplinering, of gaan we net ten onder aan ongebreidelde keuzevrijheid?
Bij Verhaeghe is het nog erger. De ene pagina schrijft hij dat het neoliberalisme de illusie van de complete maakbaarheid van het individu omarmt, op de andere dat ze terug wil naar een ‘natuurstaat’ waarin allen strijden met allen. De ene keer cultiveert het heersende neoliberalisme de ‘slachtofferrol’, waarbij alle schuld op onze genen wordt afgeschoven, de andere keer stelt het ons geheel en al verantwoordelijk voor onze eigen daden en prestaties. In beide gevallen, dat spreekt voor zich, worden we doodziek on ongelukkig.
Er wordt bij de cultuurpessimisten van alles vervlakt en gereduceerd, afgemat en platgeslagen, ontworteld en ontheemd en verdrongen, maar nadat de donkere stroom van “oeverloos magma” is voorbijgetrokken, weet je al lang niet meer waar je aan toe bent. Wat blijft nazinderen, is een soort onbestemd onbehagen, een weemoed zonder object. Precies omdat de doemboodschap zo vaag en tegenstrijdig is, kan iedereen er zijn eigen verzuchtingen in herkennen, als ware het een donkere Rorschach-inktvlek. Bij De Wachter krijg je dan dergelijk potsierlijk proza:
“We proberen alles te vervlakken, te stretchen tot uitersten verdrongen worden. Hetzelfde, overal. Dat werkt depersonaliserend, derealiserend. Overal loert ontheemding om de hoek. Door de kolossale globale structuren vervreemden we van onszelf. We worden onze eigen Ander.” “De wereld en mens worden elk op hun eigen niveau een atoomsoort, die dwaalt in een atmosfeer wiens periodiek systeem constante onrust is.”
Narcisme
Dat gemakzuchtige cultuurpessimisme heeft soms zelfs een narcistisch kantje. Wie de kwalen van de maatschappij doorziet, plaatst zich er ook boven. De cultuurpessimist is een meester in wat ik eerder de wij-bak noemde, een vorm van huichelachtige zelfkastijding waarbij je nadrukkelijk de wij-vorm hanteert, maar eigenlijk overal “zij” en “hen” bedoelt. Wanneer De Wachter jeremieert over “onze zelfgenoegzaamheid” en “onze teldrang”, dan rekent hij daar uiteraard zichzelf niet bij. “We willen een superlatief van de uitzondering kunnen zijn”, zo schrijft hij ergens, en “we lijken geen lokroep te hebben, buiten veel geld”. En elders: “Alles lijken we vandaag te willen atomiseren”. Over welke “wij” heeft De Wachter het eigenlijk?
De verdwaasde massa is verslaafd aan consumptie, maar beseft niet hoe hol ze van binnen is. Al die leeghoofden (pardon, ik bedoel “wij”) zitten maar selfies van zichzelf te nemen, op Pokémon te jagen en likes op Facebook bijeen te sprokkelen, maar slechts een kritische enkeling doorziet dat vreugdevuur der ijdelheden. Iedereen holt van hype naar her, maar wie geeft nog om authenticiteit, verstilling, menselijkheid? Wie beseft nog dat het Zijn niet te taggen valt?
In werkelijkheid is niets meer belegen dan de cultuurkritiek op selfies en Facebook-likes. Hoe vaak hebben we al gehoord dat sociale media een festijn van schone schijn zijn, en dat de wereld naar de knoppen gaat omdat we allemaal naar onze handzame lichtbak lopen te staren op straat? Bijna iedereen beklaagt zich vandaag over de consumptiemaatschappij, de ‘waan van de dag’, en het dictaat van het kapitaal. De helft van de mensen die Twitter gebruikt, vindt Twitter een ranzige riool. Behalve hun eigen tweets natuurlijk. Dat blauwe vogeltje, wat een symptoom van geestelijke verschraling, meneer! De dag van vandaag moeten onze gedachten in 140 tekens geperst worden, waar gaat dat naartoe. (De Wachter spreekt over het “Twittersyndroom”, waarbij “verkorting en ver-beelding de plak zwaaien”). Zoveel zelfverklaarde parels, zo weinig zwijnen. Bijna iedereen die op Facebook zit, beklaagt zich over de ondraaglijke lichtheid ervan. Maar ondertussen blijven we wel allemaal aanwezig (ik ook).
Hebt u het nooit meegemaakt dat u op restaurant een koppel aan tafel op hun respectieve smartphone ziet tokkelen? En is de verleiding dan niet groot om, als volleerde cultuurpessimist, meewarig het hoofd te schudden? “Bezie dat toch eens. Waar gaat dat naartoe met onze maatschappij? Ons sociaal weefsel brokkelt af. De moderne mens vereenzaamt. We kunnen niet meer spreken met elkaar. Iedereen is slaaf van zijn hebbeding. Wel, behalve ik natuurlijk. Wacht, ik moet even iets belangrijks Googelen.” Niets menselijk is mij vreemd, zij Terentius, al had hij naar verluidt geen smartphone.
Merkwaardig genoeg toont psychologisch onderzoek aan dat, waar het hun persoonlijke leven betreft, de meeste mensen wel blaken van optimisme: we zien onze persoonlijke toekomst rooskleurig in, we overschatten onze talenten, we verbeelden ons dat we de wereld naar onze hand kunnen zetten. Maar wanneer het over de maatschappij gaat, slaat de stemming helemaal om. Bijna iedereen ontpopt zich tot cultuurpessimist. Die paradox vatte de Nederlandse socioloog Paul Schnabel als volgt samen: “Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht”.
Het geheel lijkt hier minder dan de som van de delen: elkeen voelt zich prima, maar samen gaat we zienderogen begaf. Zijn mensen echt wel zo pessimistisch, of is het gewoon een verwaande pose om zich van de massa af te zetten? Is de moderne doemprofeet, die zo graag foetert op het individualisme, misschien zelf de über-individualist?
Barack Obama
Niets makkelijke dan een litanie afsteken tegen de moderne maatschappij, en het klinkt nog diepzinniger ook. “Kijk om je heen”, schrijft Bas Heijne, en je merkt toch zelf dat het bergaf gaat? In werkelijkheid zijn u en ik geweldig bevoorrecht om hier in anno 2016 te leven, ondanks de problemen waarmee we vandaag blijven kampen. Het is belangrijk om ons af en toe van dat voorrecht te vergewissen, want een vermoeiend cultuurpessimisme kan ook zelfvervullend worden. Als je maar blijft herhalen dat het treurnis troef is in de moderne wereld, ga je je open duur zo voelen ook.
In een toespraak aan Howard University in juli dit jaar, nodigde Barack Obama zijn toehoorders uit tot een gedachtenexperiment, een variant op de ‘sluier van onwetendheid’ van de filosoof John Rawls. Als je één tijdstip zou moeten kiezen om te leven, en je wist op voorhand niet wat je geslacht of nationaliteit of ras zou zijn, welk moment zou je dan kiezen? Het antwoord van Obama is duidelijk: “You’d chose right now… I tell you this not to lull you into complacency, but to spur you into action”.
Er is veel dat ik aan Obama bewonder, maar misschien nog het meest zijn vooruitgangsoptimisme. Doe mij een plezier en beluister zijn speech, of lees zijn editoriaal voor Wired. Hier stuiten we dan toch op één onmiskenbaar opzicht waarin het achteruitgaat met de wereld: straks is Obama niet langer president. Ik zal hem missen na januari 2017, wie ook de verkiezingen wint. En als het niet Hillary Clinton wordt – maar ik ben er vrij gerust op – dan pas bekeer ik mij tot het doemdenken.
(Essay in Zeno, weekendbijlage van De Morgen, 22/10/2016)