Jacques Van Rillaer (In Memoriam 1944 – 2025)

  • Blog

De psycholoog en skepticus Jacques Van Rillaer is op 26 december 2025 overleden, op 81-jarige leeftijd. Hij was emeritus hoogleraar psychologie aan de Université de Louvain-la-Neuve en gespecialiseerd in cognitieve gedragstherapie. Zijn loopbaan begon echter vanuit een heel andere obediëntie: de psychoanalyse van Freud en Lacan. Van 1965 tot 1979 was hij lid van de Belgische School voor Psychoanalyse en beoefende hij zelf Freudiaanse therapie. Gaandeweg maakte Jacques zich los van het Freudiaanse geloofssysteem en voltrok zich een ingrijpende ommezwaai. Uiteindelijk ontpopte hij zich tot een dubbele afvallige: zowel van het katholieke geloof als van de psychoanalyse.

Ik leerde Jacques kennen via Le Livre noir de la psychanalyse, het sceptische zwartboek dat in 2005 de intellectuele wereld in Frankrijk op stelten zette, toen een van de laatste bolwerken van de psychoanalyse. De meeste bijdragen in die bundel waren eerder al in het Engels verschenen, maar de meest originele teksten waren van de hand van een Belg: Jacques Van Rillaer. Wanneer ik vandaag de hoofdstukken van Jacques in mijn exemplaar opensla, zie ik pagina’s vol enthousiaste onderstrepingen en kanttekeningen.

Photo 1/4

Later las ik zijn magnum opus Les illusions de la psychanalyse (1980), een boek dat in Vlaanderen — en ook internationaal — veel te weinig bekend is, hoewel Jacques voortreffelijk Nederlands sprak. Het is een erudiete en messcherpe afrekening met de fabels van Freud, die zich moeiteloos kan meten met het beste internationale werk. Voor mijn eigen onderzoek naar pseudowetenschap was het van onschatbare waarde, en tegelijk een verademing om Jacques’ heldere Frans te lezen, na de obscurantistische mistgordijnen van zijn naamgenoot Jacques Lacan. De afgelopen jaren leerde ik Jacques persoonlijk kennen als warme, innemende en bescheiden man.

Enkele weken voor zijn overlijden zocht ik hem en zijn vrouw Nadine nog op bij hen thuis in Schaarbeek. Bij eerdere gelegenheden lunchten we om de hoek, in zijn favoriete brasserie, maar daarvoor had Jacques nu helaas de energie niet meer. Ik bracht daarom een doos chocolade mee, en samen aten we een romige éclair en een gâteau opéra — een guilty pleasure waarvan de dieperliggende Freudiaanse betekenis wellicht nog opheldering behoeft.

De kanker was toen al uitgezaaid en bezorgde Jacques ’s nachts hevige pijn in zijn benen, maar hij was de medische wetenschap dankbaar voor de verlichting die opioïde pijnstillers boden. Hij mijmerde over sterfelijkheid en over de absurde geloofsdoctrines waarmee hij was opgegroeid, maar waarvan hij al lang afstand had genomen. Tot mijn verrassing vertelde hij dat hij opnieuw de evangeliën las, en zich verbaasde over zijn eigen lichtgelovigheid van vroeger.

In ons laatste gesprek hebben we nog smakelijk gelachen om die passage waarin Jezus demonen uitdreef en in een kudde varkens overbracht, die zich vervolgens verdronk. En om die andere scène waarin de Zoon van God, in een knorrige bui, een vijgenboom vervloekte omdat die geen vruchten droeg (het was nu eenmaal geen vijgenseizoen, geeft Marcus argeloos toe). Ook nu zijn einde nabij was, kwam Jacques niet in de verleiding om toevlucht te zoeken tot een religieus geloof in het hiernamaals. Sterfbedbekeringen van beroemde atheïsten zijn nu eenmaal vaak verzinsels van vrome fantasten. De fijnere theologische onderscheidingen tussen vagevuur, hel en voorgeborchte (voor ongedoopte baby’s) kon Jacques daarentegen nog altijd feilloos uiteenzetten.

Verder spraken we over de merkwaardige kronkels van de menselijke geest, over zijn ervaringen als gedragstherapeut, en over de bizarre angststoornissen en waanbeelden die hij in zijn praktijk was tegengekomen. Hij haalde herinneringen op aan zijn periode van dubbele geloofsafval in de late jaren zeventig, en vertelde hoe hij gaandeweg de parallellen begon te zien tussen beide geloofssystemen: hun onfalsifieerbaarheid, hun immunisatiestrategieën en hun ononderhandelbare dogma’s. Ook beschreef hij hoe hij in een euforische roes van productiviteit Les illusions de la psychanalyse in enkele maanden tijd schreef.

Jacques vertelde daarnaast over de beroemde intocht van Jacques Lacan in 1972 in Leuven, een gebeurtenis die destijds nauwelijks minder gewichtig werd geacht dan Jezus’ tocht op zijn ezel naar Jeruzalem. De jonge Van Rillaer is zelfs vereeuwigd op de videobeelden van dat seminarie (seconden 38 tot 46). De persoonlijke ontmoeting met zijn held Lacan bleek echter een grote teleurstelling en veroorzaakte een eerste barst in zijn geloof.

Het was opmerkelijk hoe rationeel en sereen Jacques omging met de uitzichtloosheid van zijn medische toestand. De chemotherapie was volledig stopgezet, wat hem vooral opluchtte, en zijn euthanasiepapieren lagen klaar. Hij berustte in zijn sterfelijkheid en was niet langer bang voor de dood, maar voelde vooral verdriet om zijn vrouw Nadine, die hij zou moeten achterlaten. In een e-mail die het Franse AFIS citeert, schreef hij met zijn kenmerkende bescheidenheid dat “het meer moed vergt om verder te leven wanneer men afhankelijk en bedlegerig is”. In de laatste dagen waarin hij nog een computer kon gebruiken, werkte hij zijn laatste artikel voor Science et pseudo-sciences af.

Jacques schatte dat hij misschien nog net Kerstmis zou halen. Als goede wetenschapper formuleerde hij daarmee een falsifieerbare — en helaas correcte — voorspelling. Ik zal hem erg missen en wens zijn vrouw Nadine, zijn kinderen en zijn kleinkinderen veel sterkte toe bij hun verlies.


Hieronder mijn gesprek met Jacques Van Rillaer en Geerdt Magiels in 2021 in Wetteren:

En mijn voorwoord bij Jacques’ boek Over Freud: