De Vlaamse filosoof Maarten Boudry (42) nam het in debatten over het bestaan van God op tegen Nederlandse christenen. Hij is atheïst, maar laat voor zich bidden door een Texaanse pastor. En een hiernamaals, dat lijkt hem wel wat. ‘Ik zou er niet rouwig om zijn als blijkt dat ik ongelijk heb.’
(Interview door Maurice Hoogendoorn, dinsdag 15 september 2026)

‘Ik ben van mijn vijfde tot ongeveer mijn twaalfde heel gelovig geweest. Dat kwam niet door mijn ouders maar vooral door mijn oma, de moeder van mijn vader. Zij was zeer devoot. En ze gaf me veel duidelijker antwoorden dan mijn ouders.
Als ik mijn vader vroeg of iets uit de Bijbel echt was gebeurd, antwoordde hij ontwijkend, of zei hij dat het een mysterie was. Op school ging dat precies zo, als ik bijvoorbeeld vragen stelde over de ark van Noach. Was het echt gebeurd, of een allegorie? Ik kon niets met de antwoorden die ik kreeg.
Het alomvattende wereldbeeld van mijn oma sprak me aan. Ze was ervan overtuigd dat er een hemel was, en dat haar man, mijn opa, daar zat en ons zag.
Ze geloofde ook in een hel, maar die was alleen voor heel slechte mensen, voor seriemoordenaars bijvoorbeeld, dus daar ben ik nooit bang voor geweest. Ik bad ook in die periode. Het lichtgevende mariabeeldje dat ik gebruikte heb ik nog.
‘Zelfs over het belangrijkste mirakel – de verrijzenis van Christus – zijn veel katholieken vaag.’
Rond mijn twaalfde dacht ik steeds vaker: er klopt iets niet, gelovigen lijken het zelf ook niet zo goed te weten. Zo had ik mijn oma de misschien onzalige vraag gesteld of zij geloofde dat haar eerste kindje, Jozef, dat aan wiegendood was gestorven, ook in de hemel was. “Ja natuurlijk”, antwoordde ze. Maar toen ik vroeg of hij daar dan als baby was, of als volwassen man, was ze geprikkeld. Begrijpelijk natuurlijk, maar dat deed mij beseffen: wat het antwoord ook is, er klopt iets niet.
Zelfs over het belangrijkste mirakel – de verrijzenis van Christus – zijn veel katholieken vaag. Protestanten kunnen er denk ik een redelijk coherent antwoord op geven, maar als je doorvraagt naar wat daar echt is gebeurd, beginnen ook zij vaak te hakkelen.
Nu klinkt mijn geloofsafval nogal intellectualistisch. Er was ook een bepaalde sfeer die me niet aanstond. De heiligenverering, het kwezelige, het halfzachte van de andere wang toekeren en wel 70 maal 7 keer vergeven. Of: “Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.” Ja, dat zei de pedofiele bisschop Roger Vangheluwe ook toen ze hem betrapten. Misschien zijn we allemaal zondaars, maar er zijn wel gradaties.
Uiteindelijk kon ik gewoon niet meer geloven. Het hielp dat het christelijk geloof een bizar verhaal is. Ik heb langer in homeopathie geloofd dan in God. Homeopathie klinkt wel intuïtief en coherent. Je moet empirische studies uitvoeren om te zien dat het niet klopt.
Nadat ik het geloof had losgelaten, heb ik een korte fase gehad waarin ik te veel Nietzsche las en meende dat er ook geen grond is voor moraal als God niet bestaat. Kortom: er is geen goed en kwaad, alles is relatief.
Als ik bleef handelen alsof er wél een wezenlijk verschil was tussen goed en kwaad, deed ik eigenlijk alsof ik nog in God geloofde. Dus daagde ik mezelf uit: om een etter te zijn, om iets te stelen uit een winkel. Zo van: je denkt dat je een atheïst bent? Toon het maar eens dan!
Die fase heeft gelukkig niet zo lang geduurd, en inmiddels kan ik ook met seculiere argumenten uitleggen waarom het onderscheid tussen goed en kwaad belangrijk en nuttig is. Maar ik had als tiener de neiging extremen op te zoeken.
‘Ik zie mezelf nog steeds als progressief en groen, maar ik heb niet meer het naïeve wereldbeeld dat ik als tiener had.’
Ik was net als mijn ouders groen en links en vond dat ik dan ook zo links mogelijk moest zijn. Zo haatte ik Bill Gates – destijds de rijkste man op de wereld. Dat kon per definitie niet eerlijk zijn. En zelfs na de aanslagen van 11 september 2001 riep ik dat de islam er niets mee te maken had, dat het allemaal een kwestie was van vooroordelen van de bange blanke man.
Ik zie mezelf nog steeds als progressief en groen, maar ik heb niet meer het naïeve wereldbeeld dat ik als tiener had. Ik ben ook kritischer geworden op bepaalde methodes en dogma’s in links-progressieve kringen. Ik doneer niet meer aan Amnesty; die organisatie is veel te ideologisch geworden.
Religiedebatten
Of ik als atheïst last heb van zendingsdrang? Misschien was dat tien, vijftien jaar geleden zo. Ik interesseerde me voor debatten over de vraag of God bestaat, en ik had het gevoel dat ik door mijn achtergrond iets kon bijdragen.
Het was intellectueel ook uitdagend. De Amerikaanse filosoof en christen Alvin Plantinga heeft bijvoorbeeld de waarschijnlijkheidsleer toegepast op religie. Als je dat wilt weerleggen, moet je echt je best doen. Maar na een tijdje ga je in die debatten toch in cirkeltjes draaien.
Meestal ging het in goede sfeer. Met Stefan Paas werd het destijds wel een beetje venijnig. Maar met Rik Peels heb ik nog altijd goed contact. De mensen met wie ik debatteerde zijn nu zelfs vaak medestanders tegen het woke fanatisme aan universiteiten. Dat is verfrissend; het is goed om niet te lang in dezelfde polemieken te blijven hangen.
Vooruitgangsgeloof
Ik heb een vrij donker mensbeeld. Ik geloof niet dat de mens van nature goed is en alleen door zijn omgeving wordt gecorrumpeerd. Nee, er zitten allerlei ondeugden in ons.
Tegelijk zijn er goede redenen om te denken dat we in de beste tijd ooit leven. Ik kan niet meegaan in het constante doemdenken dat je tegenwoordig ziet.
‘Ik doneer tien procent van mijn inkomen aan effectieve doelen. Dat is voor mij een enorme bron van zingeving.’
Natuurlijk, je kunt altijd zaken opnoemen die verkeerd gaan: oorlogen, epidemieën. Maar als je alles meeneemt in de statistieken, is er heel veel goed nieuws. We zijn wereldwijd welvarender dan ooit, er is betere zorg, meer mensen hebben toegang tot elektriciteit en schoon water.
Ja, het klimaat warmt op, dat zal slechter gaan, dat zien we nu al. Maar de meest extreme modellen zijn al een tijd niet geloofwaardig. Ik geloof niet dat we massaal gaan verhongeren. Sterker nog: door technologische vooruitgang breekt de wereldwijde voedselopbrengst elk jaar nog records.
Natuurlijk, vooruitgang blijft fragiel. Niemand gelooft in eindeloze maakbaarheid. En ja, we zijn in staat tot gruweldaden. Juist daarom is het des te indrukwekkender dat we erin zijn geslaagd veel ellende terug te dringen.
Wetenschap is wat mij betreft het beste wat we als mensheid hebben gepresteerd. Als ik aan “houvast” denk, dan denk ik aan wetenschap. Hoe kun je iets weten over hoe de wereld in elkaar zit? Door de wetenschap. Waar moet je zijn als je meer wilt weten over je eigen geest? Bij de wetenschap.
Geloofscrisis
Het leven heeft zeker zin. Ik vind betekenis in de relatie met mijn vriendin, goede vriendschappen, mooie reizen. En wat voor mij ook heel belangrijk is: ik doneer tien procent van mijn inkomen aan effectieve doelen. Dat is voor mij een enorme bron van zingeving. Zelfs als ik de rest van mijn leven verkeerd heb geleid, dan heb ik in elk geval geld gegeven aan organisaties die mensenlevens redden.
Oké, je kunt nooit honderd procent zeker zijn of die organisaties inderdaad hun werk goed doen, maar daar is wel stevig wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Ik heb gekozen voor doelen die in studies goed naar voren komen.
Als atheïst moet je misschien zelf meer moeite doen om het leven als zinvol te ervaren. Voor een gelovige komt de zin met het geloof mee. Maar dan moet je geloof wel robuust zijn. Ik weet door haar dagboeken dat zelfs mijn katholieke oma, die zo devoot was, een geloofscrisis heeft gehad. Ze had het gevoel dat ze niet gehoord werd door God.
Of ik weleens twijfels heb bij het atheïsme? Ik ben van niets honderd procent zeker. Het bestaan van God is niet onmogelijk, maar ik zie nu geen enkele aanwijzing om daarin te geloven.
Een evangelische pastor uit Texas met wie ik af en toe mail, vroeg me eens of hij me op zijn bidkalender mocht zetten. Sindsdien bidt hij elke maand voor me. Hij vraagt me telkens waarvoor hij kan bidden. Dat ontroert me, omdat hij weet dat ik atheïst ben. Soms zegt een klein stemmetje binnenin me: stel dat hij gelijk heeft? Het zou kunnen. Maar ik durf er wel wat om te verwedden dat God niet bestaat.
Gratis Bachcantates
Toen ik een periode in Boston woonde, ging ik daar naar een kerk, omdat er cantates van Bach werden opgevoerd. Het waren dus eigenlijk gratis concerten. Na afloop kon je in een tuin met elkaar napraten, met koffie en koekjes. Heel vriendelijke mensen allemaal.
Ik houd van muziek. Ik speel zelf graag piano. En daarom snap ik ook wel waarom mensen naar de kerk gaan. Samen zingen, samen iets ervaren, dat is een geweldige ervaring.
In mijn kindertijd speelde ik orgel en piano in de kerk, en zong ik in een koor. Daar heb ik zeer goede herinneringen aan. Ik weet nog dat we met het koor kampeerden in een bos. Onder de sterrenhemel zongen we het avondlied “O Heer, d’avond is neergekomen”. Als ik dat weer hoor, doet me dat wel iets. Het samen zingen was op zich al een mooi ritueel.
Ik vind dat nu op andere plekken. Een tijd terug was ik in Kopenhagen bij een concert van de band Radiohead. Met 40.000 mensen zongen we het nummer “No surprises” mee. Dat stond voor mij gelijk aan een religieuze ervaring.
Zure druiven
Er zijn atheïsten die zeggen: “Ik ben blij dat het leven eindig is, dat er geen hiernamaals is.”
Dat heb ik altijd raar gevonden. Zo van: ik kan de druiven niet krijgen, dus zullen ze wel zuur zijn.
Ik zou er niet rouwig om zijn als blijkt dat ik ongelijk heb. Een hiernamaals, dat is toch geweldig? Natuurlijk, het lijkt me vreselijk om voor eeuwig gefolterd te worden in de hel. Maar als je kunt blijven leven totdat je niet meer wilt, dan teken ik daarvoor. Ik reken er alleen niet op.
En daar heb ik ook vrede mee, hoor, met het feit dat het leven op een dag ophoudt voor mij. Hoewel ik het wel jammer vind dat ik bepaalde zaken niet meer zal meemaken, dat ik niet zal weten hoe het afloopt, of we het al dan niet verknoeien. Zeker als vooruitgangsdenker. Ik geloof dat de wereld nog veel beter kan worden.’