In NRC noemt Lucia Admiraal de verdrijving van Arabieren in 1948 een “taboe” in de Israëlische literatuur — om vervolgens een invloedrijke Israëlische roman te bespreken die nauwelijks een jaar later verscheen, in 1964 op de leeslijst voor het Israëlische middelbaar onderwijs terechtkwam en in 1978 door de publieke omroep werd verfilmd. Nogal een “taboe”.
In werkelijkheid zijn zulke verhalen van Israëlische boetedoening over echte en vermeende misdaden — samen met de onvermijdelijke aanspraak op een Israëlisch “taboe” — een vertrouwde vorm van “morele striptease” opgevoerd voor westers publiek, zoals Matti Friedman het noemt.
Israëli’s schrijven en praten al over 1948 sinds 1948. Wat pas decennia later opkwam, is het revisionisme waar Admiraal aan meedoet: de gedachte dat een piepjonge staat die voor zijn voortbestaan vocht in werkelijkheid een voorbedachte campagne van etnische zuivering uitvoerde. Het woord “Nakba” werd, ironisch genoeg, oorspronkelijk door Arabieren bedacht om hun vernederende nederlaag te beschrijven in de vernietigingsoorlog die ze zelf hadden ontketend.
Dat Westerse progressieven deze merknaam overnamen om te verwijzen naar één – en slechts één – van de talrijke bevolkingsverplaatsingen na de Tweede Wereldoorlog, en niet naar pakweg de verdrijving van honderdduizenden joden in de Arabische wereld, toont aan dat de frustratie en schaamte over de Holocaust nog steeds dé drijvende kracht blijft achter de betuttelende obsessie van het Westen met Palestina.
Wij durven te wedden dat belezen NRC-lezers beter op de hoogte zijn van Israëls (echte en ingebeelde) zonden in zijn oorlogen met de Arabieren dan van wat hun eigen leger in diezelfde late jaren veertig in Nederlands-Indië heeft aangericht.
***
(Een lezersbrief die mijn vriend Shany Mor en ik inzonden aan. Geweigerd natuurlijk, maar ze hadden wel een semi-valabel excuus over ongelukkige timing en zomerreces).